15 oktober 2020

Proloog

De schrijver Charles Edgar (Eddy) du Perron had zes pseudoniemen. Zijn vrouw Elisabeth (Bep) Geertruida de Roos had er tweeënhalf. Op een kalme ochtend bij hen thuis kon je, stel ik me zo voor, Eddy du Perron aan de ontbijttafel zien zitten met Elisabeth du Perron. Maar er waren onstuimiger dagen waarop Cesar Bombay er zat met Potomak. En een enkele keer kwam het voor dat meneer Du Perron de gedaante aannam van Angèle Baedens en mevrouw Du Perron die van Hugo Fastenhorst. Dan was alles opeens anders.

Groepen

Pseudoniemen morrelen aan vaste schema’s. Met een pseudoniem of een pseudo-identiteit zeg je iets over de bonte verscheidenheid in je eigen innerlijk; maar je zegt ook dat je, met die rijkgeschakeerde identiteit van jou, aan alle kanten over de grenzen van de groepsindelingen heen bruist, borrelt en bubbelt. De E. Du Perronprijs - die dus net zo goed de Cesar Bombayprijs had kunnen heten, of de Angèle Baedensprijs - is ooit ingesteld ter bekroning van mensen die iets doen voor de bevordering van ‘wederzijds begrip en een goede verstandhouding tussen de in Nederland woonachtige bevolkingsgroepen’.

Maar wat zijn bevolkingsgroepen dan? Wie zijn die bevolkingsgroepen? Tot welke groep behoort Eddy du Perron? Behoren Cesar Bombay en Angèle Baedens elk tot weer een andere en tot welke dan? Welke bevolkingsgroep zijn wij trouwens zelf? Misschien is het goed eerst maar eens naar de groepen te kijken voordat je over verstandhoudingen begint.

In de vorige herfst las ik een artikel over een dansgezelschap dat door de Amerikaan Alvin Ailey in 1958 was opgericht om een podium te bieden aan de Afro-Amerikaanse cultuur. Ailey had voor dat podium niet alleen zwarte, maar ook witte, Aziatische en Latino dansers gerekruteerd: hij wilde zich door niemand een exclusieve identiteit laten opdringen. ‘De groep zal altijd wel overwegend zwart zijn. Maar een zwart gezelschap? Nee.’ Al met al was het een prettig artikel over een twintigste eeuwse emancipator die zich niet had laten dwingen tot vooroordelen en eenkennigheid.

Dat het artikel me bijbleef, kwam vooral door de beschrijving die de dansrecensente gaf van een gala in herinnering aan deze Alvin Ailey. ‘Opvallend aanwezig’, schreef ze, ‘was een flinke schare oogverblindend uitgedoste lhbt’ers.’ Dit was de passage waarover ik nog lang bleef nadenken. Want wat is in hemelsnaam een lhbt’er, dacht ik. En hoe herken je die? Is de aardige dansrecensente het speciaal aan de bezoekers van het gala gaan vragen? Of kon ze het van veraf aan hun oogverblindende uitdossing zien?

Een vreemd begrip is het zeker: lhbt’er. De afkorting lhbt is ontstaan op de tekentafel en begonnen als emancipatoir containerbegrip, een term waaronder heel uiteenlopende groepsidentiteiten vallen. Soms met overlap tussen de groepen, hier en daar is er per definitie tegenstrijdigheid, niet zelden hevige haat en nijd onderling – ‘drop the T’, roepen L’s en H’s in Engeland tegenwoordig boos - en op sommige vlakken hebben ze helemaal geen zier met elkaar te maken. Toch zie je de afkorting lhbt, lhbtia, of zelfs lhbtiaq+, die kluwen van meerdere, onsamenhangende identiteiten, sinds kort overal opduiken als aanduiding van één specifiek individu. Lhbtia’er als nieuwe superidentiteit. Dat is raar.

‘Ik ben verliefd’, zegt je zusje. ‘Fijn’, zeg je. ‘Op wie?’ ‘Op een lhbtia’er.’ Geweldig, nu weet je nog niets. Is ze uitzichtloos verliefd geworden op een homoseksuele man? Is ze tot haar eigen verrassing verliefd geworden op een lesbische vrouw? Is ze verliefd op een transman en wil ze je goedkeuring voor zoiets raars? Is ze verliefd op iemand die hopeloos aseksueel is en zit er geen schot in? Nee, het is niet echt een informatieve term, lhbtia’er.

In mijn jeugd, herinner ik me, was ik gefascineerd door een bordje dat verwees naar een wc voor vrouwen, kinderen en gehandicapten. De vkg’ers zouden we tegenwoordig zeggen. ‘Ik heb iemand gevonden om mee op salsales te gaan’, zegt je buurman. ‘Fijn’, zeg je. ‘Wie is het?’ ‘Het is een vkg’er.’

Zulke groepen, de lhbtiaq+’ers, de vkg’ers, ontstaan vooral op de tekentafel omdat er rechten geregeld moeten worden en buitenstaanders geen zin hebben zich met al die idioten afzonderlijk te moeten onderhouden. Nou, prima, geen probleem, ware het niet dat je als mens van vlees en bloed opeens lid van zo’n groep bent en niet altijd begrijpt wat je dan overkomt.

Een jaar of drie geleden begon ik het lastig te vinden dat ik als hetero behoor tot de nieuwe lhbt-bevolkingsgroep. Op zich heb ik er niet het minste bezwaar tegen. Als het bijdraagt aan de emancipatie ben ik van de partij. Maar de vreemde conclusies die eraan worden verbonden! Alleen al de associatie met oogverblindend uitgedost zijn. En daarbij beweert de serieuze pers steevast en met grote overtuigingskracht dat alle leden van de lhbt-gemeenschap homoseksueel zijn en dús allemaal de gay chocoladerepen (‘gay bars’) van Tony Chocolonely  willen en roze fritessaus tijdens de Pride. De kwaliteitskranten houden me dagelijks voor dat ik als lhbt’er geen grotere wens heb dan met een man ‘hand in hand over straat’ te lopen.

Al het spreken over diversiteit van de laatste jaren heeft zo nog niet tot serieus besef van diversiteit geleid. Ik, althans, voel me als man met een transitieverleden vooral een biefstuk die op het hakblok net zo lang wordt platgeslagen totdat hij in het dwingende format van de groep past.

Als begrip is diversiteit een godsgeschenk gebleken voor academici en belangenorganisaties met belangen, maar het probleem is dat daardoor niemand nog hoort wat elk individu over zichzelf te zeggen heeft. Streven naar diversiteit zou moeten leiden tot emancipatie – dat is iets anders dan alle mensen in één hok duwen en over één kam scheren, ze op basis van statistieken stereotyperen en stigmatiseren met roze saus.

Zo. Met dit redelijke, humanistische geluid zou ik kunnen afsluiten, en dan zouden we het eens zijn over het gevaar van identiteitspolitiek en eenduidigheid; we zouden zeggen hoe behoedzaam je moet omgaan met indelingen in bevolkingsgroepen en met beschrijvingen van mensen op basis van kunstmatige categorieën - en we zouden tevreden afscheid van elkaar nemen, geroerd door onze eigen filosofische rijpheid.

Dat zou kunnen, ware het niet dat we eerst nog een appeltje te schillen hebben met Mark Zuckerberg.

Look-alike

Als je geïnteresseerd bent in bevolkingsgroepen, kun je tegenwoordig namelijk niet om het internet heen. Het nieuwe diversiteitsdenken is niet de enige ontwikkeling die de menselijke identiteit in een mal dwingt. Ook die andere eenentwintigste eeuwse ontwikkeling slaat onze persoonlijkheid, ons zelf, plat op het hakblok van de groepsindeling. Mark Zuckerberg heeft aan het begin van dit millennium bepaald dat een mens online geen twee identiteiten of karakters tegelijk kan en mag hebben. Het veranderen van gedaante, het gebruik van een pseudoniem, het over de grenzen van de groepsindelingen heen borrelen en nu eens Eddy zijn en dan weer Cesar: het is een gebrek aan integriteit. ‘Having two identities for yourself is an example of a lack of integrity.’

Deze ontwikkeling is al net zo dwingend als de vorige en volgens mij komen ze allebei voort uit de hedendaagse misvatting dat je de mens door en door kunt kennen. Je kijkt vanuit de loge naar de theaterbezoekers en je leest hun identiteit af aan hun oogverblindende uitdossing. Mark Zuckerberg heeft het bij herhaling expliciet beweerd: hij kan de mens doorzien. Op zijn platform mag je niet opereren onder pseudoniem, als een ander dan je zelf, omdat je dat je kenbaarheid bemoeilijkt. Je hebt in feite maar één identiteit en die valt uitputtend te beschrijven, zegt hij in het boek The Facebook Effect uit 2010. ‘The days of you having a different image for your work friends or co-workers and for the other people you know are probably coming to an end pretty quickly.’

Het is vooral een interessant standpunt door de onderliggende claim dat het mogelijk is: mensen beschrijven precies zoals ze zijn. Eens en voor al. De claim van Zuckerberg is de claim dat je met nieuwe technieken een flora, een fauna, een facebook kunt maken van de hele werkelijkheid. Niet zozeer door mensen in te delen in één bevolkingsgroep, een hokje - lhbt, vkg - maar in heel veel van dat soort kunstmatige hokjes tegelijk, zodat je kunt claimen ze te hebben vastgelegd in hun diepste wezen en hun allerindividueelste details. Just as you are, zoals Mark Darcy fleemt tegen Bridget Jones.

I like you, just as you are, zegt Mark Darcy.

I know you, just as you are, zegt Mark Zuckerberg.

Dit is nieuw en het is eenentwintigste eeuws. In de twintigste eeuw had de mens namelijk net besloten zich juist niet te laten vastpinnen en zich niet te laten beperken tot een etiket. Je geliefde kon je wellicht echt kennen, Mark Darcy misschien, maar buitenstaanders niet, en ze konden je zeker niet met een paar steekwoorden beschrijven.

In zijn boek over identiteit, Identity and Violence, vat econoom Amartya Sen dit twintigste eeuwse standpunt verstandig samen. Identiteitsdenken is een betreurenswaardige vorm van reductionisme, zegt hij. De mens heeft immers niet maar één affiliatie, hij heeft er talloze. ‘Één en dezelfde persoon kan, bijvoorbeeld, een Britse burger zijn, van Maleisische origine, met Chinese raskenmerken, beurshandelaar, non-vegetariër, astmaticus, linguïst, bodybuilder, dichter, tegenstander van abortus, vogelaar, astroloog, en iemand die denkt dat God heeft besloten Darwin te scheppen om de goedgelovigen te testen.’

Nogal wiedes toch? Waren we zelf niet ook net op dit redelijke standpunt uitgekomen vanwege onze aarzelingen rondom het lhbt’erschap? Hadden we niet ook al gezegd dat er gevaar schuilt in identiteitspolitiek en eenduidigheid? Mensen zijn meer dan hun lhbt’erschap,  meer dan hun nationaliteit of geloof; daarom moet je behoedzaam omgaan met indelingen in bevolkingsgroepen en met beschrijvingen van mensen op basis van kunstmatige categorieën. ‘Dit ben ik’, luidt de kop van een redelijke rubriek in de NRC. ‘Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn?’

Mark Zuckerberg ontkent het allemaal niet, deze samengesteldheid van het individu, maar hij gaat er slim mee aan de haal en voegt er zijn claim van alziendheid en alwetendheid aan toe. Ben je rijkgeschakeerd en samengesteld? zegt hij. Oké, dan zul je het hebben ook, dan pin ik je in al je rijkgeschakeerdheid en samengesteldheid vast. Heb je meerdere affiliaties? Prima, dan spoor ik al je affiliaties en etiketten tegelijkertijd op. En dus verzamelt hij gegevens over je leeftijd, geslacht, religie, professioneel netwerk, BMI, seksuele preferenties, aandachtsspanne, financiële hygiëne, kleedgedrag, reisgedrag, huidskleur, hartslag, oogbewegingen, muziekvoorkeur - en vervolgens claimt hij dat hij je tot in al je vezels kent. Je in- en je uitgangen, zoals de Bijbel zegt. Hij kent je identiteit. Niet je deelidentiteit van lhbt’er, Brabander of blokfluitist, maar jou, you, just as you are. Facebook kent je beter dan je geliefde, zegt Facebook, en de eenentwintigste eeuwers geloven het massaal.

Marketing

Het mirakel van de 21e eeuw is dus niet dat je mensen indeelt in een paar categorieën: dat indelen op zich is al zo oud als de mensheid. Verzuiling, segregatie, wij-zij-denken: we kennen het volop uit voorgaande eeuwen. Het 21e eeuwse mirakel is dat je, op basis van heel veel verschillende gegevens, mensen indeelt in heel veel verschillende categorieën, die jij voor ze bedenkt, en dan claimt te weten hoe de mens vastligt tot op celniveau.

Als 21e eeuwer is je vastomlijnde identiteit nu niet simpelweg die van man of vrouw, katholiek of protestant, zoals het eeuwenlang is geweest, maar die van iemand-met-jouw-profiel. Je levert zelf gegevens aan, je stuurt ze via je clicks en likes en swipes naar Facebook, en dan vormt Facebook zich een beeld van je. De volgende stap is dat je op basis van dit beeld wordt ingedeeld in een heel nieuw soort van bevolkingsgroep. Geïnteresseerden – bedrijven en adverteerders, Russische en Chinese geheime diensten, nationale en internationale politieke partijen – die belang hebben bij jou en mensen zoals jij, kunnen Facebook nu vragen een groep te maken die helemaal bestaat uit mensen-zoals-jij, een look-alike-doelgroep. Een bevolkingsgroep waarin iedereen op dezelfde manier clickt en liket en swipet. Die groep benaderen ze met hun heilzame boodschap.

Is dat niet mooi? Nu ben je lid van een look-alike-groep. Je hebt een profiel. Op zijn minst een verbetering ten opzichte van je eerdere simpele identiteit van protestant of katholiek, zou je kunnen zeggen. Liever een profiel dan een zuil.

Maar het probleem zit opnieuw in de claim dat dit profiel een beschrijving van je hele wezen is. De ellende van profilering is dat Facebook claimt je beter te kennen dan je jezelf kent, terwijl dat overduidelijk onzin is. Je profiel wordt in deze 21e eeuw helemaal niet bepaald door wie je bent, just as you are, maar door een oppervlakkige en willekeurige uitleg van je likes. Je zoekt online naar Kafka en je krijgt reisaanbiedingen voor Praag. Je bestelt één keer roze saus op je frieten en je bent voor altijd ondergebracht in de recent verzonnen bevolkingsgroep van de lhbt’ers. Facebook kent je helemaal niet, het bedrijf claimt alleen je te kennen en het heeft met die claim mateloos veel succes.

Zo zien we in de eeuw tegelijk met de opkomst van de identiteitspolitiek ook de razendsnelle opkomst van de onveranderlijke, vastomlijnde groepsidentiteit van Zuckerberg. Een identiteit die hij je opplakt op basis van statistieken, doelgroepdenken, profilering en look-alike politieke marketing. Zelf heb je op het vormgeven van je identiteit nauwelijks invloed: de software en de zoekmachines zijn nu eenmaal niet erg geïnteresseerd in je individualiteit. En dus word je niet langer ingedeeld in groepen die je zelf kunt aanwijzen, je identiteit wordt bepaald door het format van de digitale wereld. Die bepaalt de categorieën en bevolkingsgroepen waarin je wordt ondergebracht.

Beide ontwikkelingen zijn even dwingend. Het identiteitsdenken en de profilering. En ze beïnvloeden elkaar wederzijds. Hoe groter de verschillen tussen groepen mensen, hoe gemakkelijker het is die groepen te bereiken met politieke en commerciële boodschappen: de lhbt-gemeenschap is niet alleen een emancipatiebeweging, het is vooral ook een marketingdoelgroep geworden.

Voor Facebook en andere platforms is het handig als mensen zich krachtig van elkaar onderscheiden door zich tegen elkaar af te zetten en dus moedigen de platforms het identiteitsdenken aan. Als kritische deelnemer aan het debat vind je jezelf vreselijk authentiek in je identiteit als vkg’er en voor je het weet begin je vanuit de zaal boos te joelen zodra iemand op het podium niet vkg’er is – jawel, dat soort dingen gebeurt, en jawel, inderdaad, andersom gebeurt het ook – en zo creëer je steeds meer onderling vijandige categorieën ten bate van de politieke en commerciële platforms.

Identificatie

Het is allemaal weinig literair, dit stereotyperen. ‘Onerotisch’, noemde de Britse psychotherapeut Adam Phillips de focus op identiteit in een interview in april van dit jaar. Een vaste maatschappelijke identiteit biedt weinig ruimte aan verandering, openheid en uitwisseling met anderen. Vandaar het bezwaar van Phillips tegen het gebrek aan erotiek. ‘Wie wil zichzelf nou vastleggen in een beschrijving? Als project vind ik het erg beperkt.’

Inderdaad, wie wil zichzelf nou vastleggen? En in deze eeuw zou ik daar nog graag een andere vraag aan vooraf laten gaan - wie kán zichzelf überhaupt vastleggen? Het antwoord op die vraag is: dat kan niet. Veel woorden, identiteiten, indelingen en categorieën die daarvoor beschikbaar zijn liggen namelijk zelf niet in hun betekenis vast. In een tamelijk spectaculair artikel uit 2008, How social status shapes race, laten onderzoekers Andrew M. Penner and Aliya Saperstein zien dat mensen niet eens hun eigen ras of huidskleur definitief kunnen beschrijven. Hoe zou Facebook dat dan wel kunnen doen, hoe zouden universiteiten dat ten behoeve van hun diversiteitsbeleid kunnen? Hoe kunnen belangengroepen dat? Dat kan niet. Niemand kan het.

En zo komen we ten slotte terug bij het erotische project van de literatuur, waarin alle woorden eeuwig in beweging zijn en je zoveel identiteiten kunt hebben als je wilt. Eddy Du Perron, als gezegd, had er minstens zes. Dat kan en mag allemaal in de literatuur; sterker nog, het uitgangspunt van serieuze literatuur is dat de mens meer behelst dan je van buitenaf kunt zien. Meer dan je er met je begippenkader van kunt maken. ‘Anders dan de dataverzamelaars beweren kan een zelf nooit volmaakt of in zijn geheel worden gekend’, schreef Zadie Smith een jaar geleden in haar essay In Defence of Fiction. ‘De intieme ontmoeting tussen een boek en zijn lezer kan niet vooraf worden vastgelegd.'

Smith had het over de romanpersonages met wie ze zich vereenzelvigde, de vele stemmen die ze dagelijks hoorde, las en internaliseerde. Die vereenzelviging, zei ze, zou best eens ouderwets kunnen blijken, en fictie achterhaald; misschien willen mensen binnenkort alleen nog ontmoetingen met mensen die in dezelfde categorieën passen, misschien zoekt de lezer alleen nog zijn dagelijks dosis ‘ik’ – maar zolang de roman er nog is, biedt die de mogelijkheid tot empathie en herkenning van jezelf in een vreemde.

Dat is wat de literatuur ons biedt: niet een identiteit, maar de mogelijkheid tot identificatie. Of misschien moet je dat anders zeggen: literatuur draagt bij aan de vorming van je identiteit dóór identificatie.

Pseudoniem

Aan Eddy Du Perron, want over hem hadden we het, bood literatuur de mogelijkheid tot identificatie met een musketier. In zijn kindertijd vereenzelvigde hij zich volop met literaire personages; lezen was een manier om een identiteit te ontwikkelen, los van de druk van zijn omgeving. Door te lezen vereenzelvigde hij zich met de Graaf van Artagnan, een van de drie musketiers uit de trilogie van Alexandre Dumas. ‘D'Artagnan heeft mij een tijdlang eenvoudigweg bezeten’, schreef hij erover.

Zelf oogde de kleine Du Perron weinig intimiderend, maar met zijn D’Artagnan-imago kon hij zich onderscheiden; de identificatie met de musketier herstelde volgens biograaf Kees Snoek zijn geschonden zelfvertrouwen. Via D’Artagnan ontkwam hij aan zijn dominante vader, zijn onderwijzers en aan de ruwheid van de andere jongens. Hij vluchtte in zijn boekenwereld waarin hij, schrijft Snoek, tenminste ‘zelf baas’ was.

In de jaren erna identificeerde hij zich tegen de klippen op. Met Cyrano de Bergerac, met Old Shatterhand, met een assistent van Arsène Lupin. Hij identificeerde zich zelfs zo zeer met reporter Joseph Rouletabille, uit de politieromans van Gaston Leroux, dat hij diens pseudoniem ‘Joseph Joséphin’ gebruikte voor eigen vroege teksten. En zo ontstond dus een identiteit door identificatie, een identiteit die meebewoog met het lezen en schrijven.

Vervolgens identificeerde hij zich niet alleen met romanpersonages van anderen, via zijn pseudoniemen identificeerde hij zich ook nog eens met verschillende affiliaties van zichzelf. Zo schreef de volwassen Eddy Du Perron onder het brallerige pseudoniem W.C. Kloot van Neukema sonnetten over de keukenmeid Agatha en riep hij weer een andere stem in zichzelf op wanneer hij de modernist Duco Perkens aan het woord liet. Mark Zuckerberg en andere identiteitsdenkers zullen ervan gruwen, van de pseudoniemen van Du Perron, al die onsamenhangende zelven, die chaos aan gemoedsstemmingen die niet van buitenaf als gezamenlijke identiteit te begrijpen zijn, maar De Perron bloeide te midden van deze chaos op.

Hij was natuurlijk niet de enige die zich tegelijkertijd achter zijn pseudoniemen verschool en zich ermee liet kennen. Kunstenaars, heeft de Amerikaanse psychotherapeut Donald Winnicot ooit gezegd, slingeren heen en weer tussen de wens zich te uiten en de wens zich te verbergen, ‘the desire to communicate and the desire to hide’; ze worden beheerst door ‘de dialectiek van zelfexpressie en zelfvermomming die wij kunst noemen’, in de woorden van Willem Otterspeer; ze kennen zichzelf van binnenuit en ze kennen zichzelf nooit helemaal. Innerlijke verdeeldheid is onontbeerlijk voor het literaire schrijven en met een pseudoniem verbergt de schrijver zich in het openbaar, ‘let maar niet op mij – kijk dan!’, waar zij of hij de innerlijke conditie verhuld op straat kan gooien.

Mark Zuckerberg en al die andere groepsdenkers zullen tegenwerpen dat de schrijver nu eenmaal krankzinnig is en dat normale mensen wel een vaste identiteit hebben en wel restloos kunnen worden beschreven door profielen. Maar ik betwijfel dat. Dat wil zeggen, ik betwijfel of de schrijver nu echt zoveel waanzinniger is dan een ander. Eerlijk gezegd vermoed ik dat de meeste mensen een optelsom zijn van psychische atypischheden; dat is nu eenmaal wat individualiteit betekent. En in die individualiteit willen we gekend worden, maar nooit helemaal, we willen beschreven worden, maar nooit definitief.

De groepsdenkers van dit moment erkennen deze spanning niet: je vindt haar wel op het literaire en erotische terrein van de fictie. En dus, zolang er nog literatuur is, is er nog hoop dat we niet tot een bevolkingsgroep hoeven te behoren.