Het is onmiskenbaar dat de Nederlandse musea afgelopen jaren op zoek zijn gegaan naar manieren om diverser te programmeren, maar wat is de juiste weg erheen? Als enige grote Nederlandse kunstmuseum heeft het Stedelijk Museum Amsterdam sinds 2021 een „keihard quotum” ingesteld, zoals museumdirecteur Rein Wolfs het noemt. Het doel: meer „meerstemmigheid” in het museum te krijgen. Ten minste 50 procent van de nieuwe aankopen moet van kunstenaars zijn „van buiten West-Europa of Noord-Amerika en/of kunstenaars die zich identificeren als Zwart, van kleur en/of deel van een etnische minderheid”.
Toch wordt het quotum een „paardenmiddel” genoemd, dat liever vermeden zou zijn geweest. De zeggingskracht van het kunstwerk zou voorop moeten staan, maar dat lijkt bij de keuze voor herkomst van de maker ineens niet meer vanzelfsprekend. Een quotum schuurt hard tegen meerdere pijnpunten van de kunstwereld aan, en boven alles torent daarbij het heiligste huisje van de moderne kunst, de vraag naar de artistieke autonomie. De zeggingskracht van het kunstwerk zou in theorie tenslotte voorop moeten staan, maar precies dat lijkt bij de keuze voor herkomst van de maker ineens niet meer vanzelfsprekend.