Jarenlang was het klassieke toneelrepertoire het zorgenkindje van het Nederlands theater. Stukken uit het verre verleden moesten steeds vaker plaatsmaken voor autobiografische monologen, hedendaags metatheater of bewerkingen van populaire boektitels. En dat terwijl er zoveel moois, waars en waardevols huist in die klassiekers. Het zijn stukken die zich niet op de actualiteit toespitsen, maar universele thema’s van mens en maatschappij blootleggen, en tóch persoonlijk en urgent kunnen zijn: van Aischylos’ Oresteia, die gaat over democratische waarden en recht (actueel!), tot aan de rouwende prins Hamlet, die hardop twijfelt aan zijn eigen gekte (herkenbaar!). Gelaagde stukken die nieuwe generaties steeds opnieuw de ruimte geven om het op de eigen tijdgeest te betrekken.
Heel verheugend dus dat we tegenwoordig weer wat vaker oog in oog staan met de personages van Tsjechov, Shakespeare en de oude Grieken. Al worden de stukken van deze dode, witte mannen (want ja, dat zijn ze meestal: dood, wit en man) vaak wél flink de actualiteit in gekatapulteerd: ambitieuze theatermakers nemen opvallend veel vrijheid ten opzichte van het oorspronkelijke stuk.